bovenkaak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·kaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenkaak bovenkaken
verkleinwoord bovenkaakje bovenkaakjes

Zelfstandig naamwoord

bovenkaak v/m

  1. (anatomie) één van de beenderen van de schedel
    • Kunt u mij de bovenkaak aanwijzen? 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be