bewogen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wo·gen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
bewegen

bewogen

  1. meervoud verleden tijd van bewegen
    • Wij bewogen. 
    • Jullie bewogen. 
    • Zij bewogen. 
  2. voltooid deelwoord van bewegen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bewogen bewogener bewogenst
verbogen - - bewogenste
partitief bewogens bewogeners -

Bijvoeglijk naamwoord

bewogen

  1. toestand waarin je verkeert als iets je emotioneel geraakt heeft
    • De man was diep bewogen toen hij hoorde dat zijn dochter bevallen was van een gezonde tweeling. 
  2. druk met veel gebeurtenissen
  3. (van foto's) onscherp door bewegen van de camera tijdens de opname
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be