appelblauwzeegroen

 
1. appelblauwzeegroen
  • ap·pel·blauw·zee·groen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen appelblauwzeegroen appelblauwzeegroener appelblauwzeegroenst
verbogen appelblauwzeegroene appelblauwzeegroenere appelblauwzeegroenste
partitief appelblauwzeegroens appelblauwzeegroeners -

appelblauwzeegroen

  1. (kleur) met een iets doffere tint van turquoise
     Zowaar rimpelt het appelblauwzeegroene water.[2]
  2. (schertsend) met een onduidelijke kleur
     Shampoo die trouwens ook dienst deed als veel te veel badschuim waardoor het badwater steeds appelblauwzeegroener kleurde.[3]
enkelvoud meervoud
naamwoord appelblauwzeegroen -
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

het appelblauwzeegroeno

  1. (kleur) iets doffere tint van turquoise
     Voor wie het zich kan voorstellen: pistachegroen, viridiaangroen, mintgroen, smaragdgroen, theegroen, flessengroen, het alleen in het ‘Vlaams’ benoembare appelblauwzeegroen (een tint van turkoois), maar vooral het door hemzelfbenoemde Seafoam Green, waarin een vleugje grijs cruciaal is.[4]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron Te gast : Appelblauwzeegroen gedicht in: Vlaanderen., 295 jrg. 52 nr. 2 (april 2003), Christelijk Vlaams Kunstenaarsverbond, Tielt, p. 128
  3.   Weblink bron
    Jan Pultau
    “Onder het behang” (23 september 2018) op janpultau.blog
  4.   Weblink bron
    Geert Setola
    Kunsten : Het autoparadijs... en de denkende hand van Ever Meulen in: Ons Erfdeel., jrg. 56 nr. 3 (augustus 2013), Ons Erfdeel, Rekkem/Raamdonksveer, p. 131