• ab·so·luut
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen absoluut absoluter absoluutst
verbogen absolute absolutere absoluutste
partitief absoluuts absoluters -
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘volstrekt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1553 [1]

absoluut

  1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
    • De absolute bevolking was laag. 
  2. volledig, volkomen
    • De aanwezige alcohol was absoluut helemaal verdampt. 
  3. beslist, zeker
    • Het was de uitkomst van een zenuwslopende stemming waarbij Laurence, de absolute topfavoriet van de bookmakers, bij de jury enigszins teleurstellend als derde eindigde met 231 punten. Zweden won bij de vakjury’s voor het verrassende Noord-Macedonië. [2] 
     We zijn een heel eind gekomen vergeleken bij Osteroy, jij en ik. Om nog maar te zwijgen van Sverre.Absoluut.[3]
    • Ik vind spruitjes absoluut niet lekker. 
  4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
    • In dat land is een absolute koning aan de macht. 
  5. zonder uitzonderingen of vrijstellingen
     Weliswaar was het Afrikaanse geld de absolute voorwaarde voor baron Von Freital geweest, tot aan de bruiloftsdag van zijn dochter beschouwde hij zichzelf als haar eigenaar, met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee hij zeilboten en kastelen bezat.[3]
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]