• wee·moe·dig
  • Samenstellende afleiding van wee en moed met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen weemoedig weemoediger weemoedigst
verbogen weemoedige weemoedigere weemoedigste
partitief weemoedigs weemoedigers -

weemoedig

  1. lichtdroevig gestemd
    • Weemoedig dacht hij aan zijn gemiste kansen. 
     Want ik was niet naar Grand Hotel Europa gekomen om de tijd weemoedig te laten verglijden te midden van afgebladderde luxe en krakende glorie in passieve afwachting van een of ander inzicht, dat mij op een gegeven moment zou toevallen als een bloemblad uit een vergeeld boeket. Dat inzicht wilde ik afdwingen en daarom moest ik aan het werk.[1]
     Ik verliet Californië wat weemoedig, maar was ook erg benieuwd wat Oregon voor me in petto had.[2]
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]
  1. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 19
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be