voorspellen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • voor·spel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorspellen
voorspelde
voorspeld
zwak -d volledig

Werkwoord

voorspéllen

  1. overgankelijk een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorspellen
spelde voor
voorgespeld
zwak -d volledig

Werkwoord

vóórspellen

  1. overgankelijk letter voor letter laten horen hoe een woord wordt geschreven

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen