voordeel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·deel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voordeel voordelen
verkleinwoord voordeeltje voordeeltjes

Zelfstandig naamwoord

voordeel o [3] [4]

  1. profijt.
    • De onrust op de aandelenmarkt was in zijn voordeel. 
     Een even groot percentage acht zichzelf er niet toe in staat. En meer dan de helft is bang een boete te krijgen of een voordeeltje mis te lopen.[5]
  2. aangename eigenschap
    • Een voordeel van een motorfiets is het lage benzineverbruik per kilometer. 
     Uit een onderzoek van de Stanford University uit 2014 bleek dat lange-afstandslopen vele voordelen heeft, behalve het feit dat je in de natuur bent en dat het nagenoeg gratis is.[6]
  3. (tennis) term die aangeeft dat een speler bij een 40-40-stand een punt heeft gescoord en dus maar één punt verwijderd is van de winst van een game
    • De befaamde Belgische tennisster serveerde met voordeel voor de wedstrijd. 
  4. het aan de voorkant gelegen deel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen

  1. "voordeel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. voordeel op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5.   Weblink bron “Veel mensen zien als een berg op tegen de belastingaangifte. Bijna 40 procent besteedt het invullen ervan weleens uit, zo bleek eerder dit jaar uit een enquête van de Consumentenbond. Maar vaak is dat onnodig en het biedt ook geen garantie op een waterdichte aangifte.” (24 maart 2019), NU.nl
  6. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  7.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be