• ver·oor·za·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
veroorzaken
veroorzaakte
veroorzaakt
zwak -t volledig

veroorzaken

  1. overgankelijk de oorzaak zijn van; een gevolg tot stand brengen
    • Het doorknippen van het rode draadje veroorzaakte de explosie. 
     Had ik niet beter thuis kunnen blijven om ze elke dag te kunnen zien? Had ik de tocht niet beter 10 jaar kunnen uitstellen totdat ze uit huis zouden zijn? En welk effect zou deze tocht op mijn jonge tieners hebben? Een vader die zo lang van huis is zou misschien onbewust verlatingsangst of aandachttekort kunnen veroorzaken.[2]
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]
  1. veroorzaken op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be