uitstellen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
uitstellen uitgesteld
uitstel


Woordafbreking
  • uit·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstellen
stelde uit
uitgesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

uitstellen

  1. overgankelijk naar een later tijdstip verschuiven
    • De vergadering werd wegens de sneeuwstorm enige dagen uitgesteld. 
     Ik kon het niet langer uitstellen of ontwijken, deze nacht zou ik eraan moeten geloven.[1]
Typische woordcombinaties
  • iets met een jaar uitstellen
Spreekwoorden
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be