uitpakken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·pak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitpakken
pakte uit
uitgepakt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitpakken

  1. overgankelijk uit een verpakking halen
    • Op deze foto zie je Kim op haar eerste verjaardag haar eerste cadeautje uitpakken, met een beetje hulp natuurlijk. 
     Het was een hele bevrijding om met minder spullen de bergen in te gaan en het in- en uitpakken van mijn rugzak werd hierdoor een stuk overzichtelijker.[1]
  2. overgankelijk leeg maken van een verpakking
    • De magazijnmedewerker pakte een doos met tomatensoep uit. 
     Maar door de telefoon had ze gezegd dat de verhuizing goed was gegaan. Ze was al begonnen met het uitpakken van de dozen.[2]
  3. ergatief een bepaalde uitkomst krijgen
    • Dat is beter uitgepakt dan hij verwacht had. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • (in België) met iets uitpakken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2. Pfeiffer, Ilja Leonard   “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 22
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be