toekomst

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·komst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toekomst toekomsten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

toekomst v

  1. de tijd die komen gaat
    • In de toekomst zullen robots al het werk gaan doen. 
     Op mijn werk draaiden mijn gedachten constant om de toekomst, met veertien hersenspinsels tegelijk, eindeloos verschillende scenario’s analyserend.[2]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. toekomst op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be