• [1]: fu·ture
  • [2]: fu·tu·re
enkelvoud meervoud
naamwoord future futures
verkleinwoord - -

de futurev

  1. (effectenhandel) contract op basis van de waarde die bepaalde goederen, effecten of valuta op een bepaald moment in de toekomst zullen hebben
    • Met een future speculeer je op het toekomstige koersverloop van een onderliggende waarde: dat kan bijvoorbeeld een aandeel zijn, een grondstof of een valuta. [2]
  2. (verouderd) toekomstige echtgenote
    • Kom, zegt hij, we gaan naar mijn ‘future’! [3]
69 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.[4]


enkelvoud meervoud
future futures

future

  1. toekomst


future

  1. toekomst