serieus

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • se·ri·eus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ernstig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1650 [1]
  • afgeleid van het Franse serieux (met het achtervoegsel -eus) [2] [3]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen serieus serieuzer serieust
verbogen serieuze serieuzere serieuste
partitief serieus serieuzers -

Bijvoeglijk naamwoord

serieus

  1. ernstig.
    • Dat is een serieuze zaak! 
     Maar laten we engelen ook weer niet al te serieus nemen en meteen heilig verklaren.[4]
     De hoge sneeuwvelden waar ik nu doorheen liep waren toch een stuk serieuzer dan ik had verwacht.[4]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen