Het mondstuk met enkelriet van een saxofoon
Saxofoon
  • saxo·foon
  • van Frans saxophone, in de betekenis van ‘blaasinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1870
    eponiem, op te vatten als afgeleid van Sax met het achtervoegsel -foon met het invoegsel -o-, naar de Belgische instrumentbouwer A. Sax   die het instrument in 1841 uitvond [1][2]
enkelvoud meervoud
naamwoord saxofoon saxofoons
saxofonen
verkleinwoord saxofoontje saxofoontjes

de saxofoonm

  1. (muziekinstrument) een houtblaasinstrument met een enkelriet
    • De saxofoon is op het mondstuk na, van messing gemaakt. 
98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]