regelaar

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ge·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord regelaar regelaars
verkleinwoord regelaartje regelaartjes

Zelfstandig naamwoord

regelaar m

  1. iemand die regelt
  2. (elektrotechniek) (regeltechniek) deel van een instrument dat iets regelt
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be