Nederlands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘dupe’ voor het eerst aangetroffen in 1950 [1]
  • Mogelijk afgeleid van het Engelse peanut ("pindanootje") of het Franse pine (vulgair woord voor penis).[2]
Woordafbreking
  • pi·neut
enkelvoud meervoud
naamwoord pineut pineuten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pineut v / m

  1. gedupeerd slachtoffer, (onterechte) verliezer
    • Ben ik nou alweer de pineut? 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen