• koud·bloe·dig
  • Samenstellende afleiding van koud en bloed met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen koudbloedig koudbloediger koudbloedigst
verbogen koudbloedige koudbloedigere koudbloedigste
partitief koudbloedigs koudbloedigers -

koudbloedig

  1. (biologie) niet de eigen lichaamstemperatuur regulerend
    • Koudbloedige dieren kunnen hun lichaamstemperatuur alleen beïnvloeden met hun gedrag, door bijvoorbeeld de schaduw of de volle zon op te zoeken. 
  2. zonder emotie
    • Die chirurg is echt koudbloedig, hij voert zonder enige moeite de moeilijkste operaties uit. 
  3. erg gevoelig voor kou
    • Die chirurg is echt koudbloedig, als hij 's winters naar buiten moet trekt hij het liefst twee jassen over elkaar aan. 
98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]
  1.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be