kinderoppas

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kin·der·op·pas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kinderoppas kinderoppassen
verkleinwoord kinderoppasje kinderoppasjes

Zelfstandig naamwoord

kinderoppas m

  1. een persoon die op andermans kinderen past
     Bakker heeft het misbruik altijd ontkend. Hij zegt geen seksuele relatie met zijn kinderoppas te hebben gehad voordat zij achttien was.[1]
     Het probleem was dat mama bijna de hele zomer op haar werk als maître d'hôtel moest zijn. Ze kwam maar om het weekend naar ons toe en af en toe een paar losse dagen. Dat hield in dat ik de hele tijd kinderoppas van Acke moest spelen.[2]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Voormalige verslavingsgoeroe Keith Bakker krijgt fors lagere straf in hoger beroep” (13 jul 2022), NU.nl
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Echte Amerikaanse jeans” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044632767
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be