babysitter

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·by·sit·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord babysitter babysitters
verkleinwoord babysittertje babysittertjes

Zelfstandig naamwoord

babysitter m

  1. iemand die, gewoonlijk tegen betaling, enige tijd oppast op iemands kind of baby
    • Het eindeloos huilende kind bracht de babysitter tot wanhoop. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

enkelvoud meervoud
babysitter babysitters

Zelfstandig naamwoord

babysitter

  1. babysitter
Verwante begrippen