Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kalm
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rustig’ voor het eerst aangetroffen in 1568 [1] [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kalm kalmer kalmst
verbogen kalme kalmere kalmste
partitief kalms kalmers -

Bijvoeglijk naamwoord

kalm

  1. weinig in beroering, zonder opwinding
    • Zijn kalme manier van optreden bracht de angstige kinderen wat tot rust. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen