gelukskind

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·luks·kind
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelukskind gelukskinderen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gelukskind o [2]

  1. een kind of persoon die heel veel geluk heeft
    • Hertha zal daar niet zo blij mee zijn geweest. Maar in Wenen had zij haar moeder Ella bij zich. Helaas zegt ze daar in haar dagboek verder niets over. Ze schrijft over haar tweede zondagskind, 'het gelukskind', Harald. [3] 
    • Ik laat geen rijkdom varen, maar vaar op rijkdom af: te leven in een beter land, geëerd als redster door het Griekse volk, waarvan de glorie zelfs hier weerklinkt, de kennis van die mensen en hun kunst, én Jason zelf, voor wie ik alle rijkdom van de wereld zou overhebben. Met zo'n man zal ik "gelukskind" of "godengezegend" heten en kan ik de sterren raken! [4] 
    • Kim Clijsters supertalent of gelukskind?: Anderhalve maand na haar competitieterugkeer speelt Kim Clijsters in Miami haar tweede finale op rij. In de halve finale liet ze geen spaander heel van Amélie Mauresmo (6-1 en 6-0). In de finale wacht de Russische Maria Sharapova. Is Kim Clijsters een onstuitbaar supertalent of profiteert ze van een zwakke generatie in het vrouwentennis? [5] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen