Gebladerte in de herfst
  • ge·bla·der·te
  • In de betekenis van ‘alle boombladeren’ voor het eerst aangetroffen in 1805 [1]
  • Afgeleid van blader (van blad met het invoegsel -er-) met het omvoegsel ge- -te. Deze combinatie van twee affixen vormt een onzijdig zelfstandig naamwoord dat een verzameling aangeeft. In dit geval de verzameling van de bladeren in een bladerdek.
enkelvoud meervoud
naamwoord gebladerte -
verkleinwoord - -

het gebladerteo [2]

  1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
    • Vóór ik de vogel kon fotograferen verdween hij in het gebladerte. 
      Alles, in één woord, verschilt tusschen deze beiden: bloemen, planten, de kleur van het gebladerte, tot zelfs de lucht, welke men inademt.[3]
86 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[4]


enkelvoud meervoud
naamwoord gebladerte -

gebladerte

  1. gebladerte
    «Die digte gebladerte huisves duisende soorte blaarvretertjies soos ruspes en sapsuiers soos plantluise, en dié voorsien op hul beurt ’n oorvloed van kos vir insektevretende voëls, spinnekoppe, soogdiertjies en roofinsekte.»[1]
    Het dichte gebladerte huisvest duizenden soorten diertjes die bladeren vreten zoals rupsen, en zuigers van sap zoals bladluizen, en deze voorzien op hun beurt een overmaat voedsel aan insectenetende vogels, spinnen, kleine zoogdieren en roofinsecten
  1.   Weblink bron “Mieliestronk”