• flank
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zijkant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1591 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord flank flanken
verkleinwoord flankje flankjes

de flankv / m

  1. zijkant van een samenhangend geheel
    • Het legioen werd in de flank aangevallen. 
  2. steile zijkant van een berg
     Hij woont in de buurt, het is naar schatting de dertigste keer dat hij hier staat, met enerzijds het uitzicht op de beboste flanken van de Vogezen en aan de zuidwestkant het glooiende laagland van de Haute-Saône.[2]
  3. (elektronica) sterkst stijgende of dalende deel van een elektrisch signaal
  4. deel van een bastion dat aan de courtine grenst
  1. (zijkant)
96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]


enkelvoud meervoud
flank flanks

flank

  1. flank
vervoeging
onbepaalde wijs to  flank 
he/she/it  flanks 
verleden tijd  flanked 
voltooid
deelwoord
 flanked 
onvoltooid
deelwoord
 flanking 
gebiedende wijs  flank 

flank

  1. flankeren