Nederlands

 
[1] elkaar kussende popppetjes
nominatief genitief
elkaar elkaars
Uitspraak
Woordafbreking
  • el·kaar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘wederkerig voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285 [1]

Wederkerig voornaamwoord

elkaar

  1. drukt uit dat van twee of meer personen ieder op zijn eigen manier tegenover de ander handelt
    • Zij waren echt aan elkaar gewaagd. 
     ’Wie weet er een mop?’ riep een aarzelende stem. Een voor een begonnen we grappen en verhalen met elkaar te delen om de moed erin te houden.[2]
  2. drukt een onderlinge relatie, aansluiting of een snelle opeenvolging uit (met voorzetsel)
    • Zij hebben een uur achter elkaar lopen praten. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Uitdrukkingen en gezegden
  • het is voor elkaar
het is klaar
  • iemand in elkaar slaan
iemand heel hard slaan zodat die persoon niet meer rechtop kan staan
  • uit elkaar gaan
stoppen met een relatie, scheiden
  • achter elkaar lopen
in ganzenpas lopen, de ene voor de andere lopen
  • iets in elkaar zetten
iets monteren, van losse delen één geheel maken
  • In elkaar zitten
vertellen hoe iets is samengesteld
• Deze machine zit vernuftig in elkaar. Hij bestaat uit wel vijftig verschillende onderdelen. 
  • zaken door elkaar halen
je vergissen, denken dat het ene ding eigenlijk het andere is

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen