• duik
enkelvoud meervoud
naamwoord duik duiken
verkleinwoord duikje duikjes

de duikm

  1. een sprong waarbij men zich -meest ondersteboven- onder water begeeft
     Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken uit haar bidon.[1]
  2. het zich in water onderdompelen
     Ik stopte alleen om af en toe een duik in een meertje te nemen.[2]
vervoeging van
duiken

duik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van duiken
    • Ik duik. 
  2. gebiedende wijs van duiken
    • Duik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van duiken
    • Duik je? 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]
  1.   Weblink bron
    Rob Gollin
    “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


enkelvoud meervoud
naamwoord duik duike

duik

  1. deuk
    «Die buffers het duike in.»
    Er zitten deuken in de bumpers.