• com·mu·ni·ce·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
communiceren
communiceerde
gecommuniceerd
zwak -d volledig

communiceren [2]

  1. inergatief (religie) ter communie gaan, de heilige communie ontvangen of uitreiken
    • Zij communiceerde elke ochtend tijdens de vroegmis. 
  2. inergatief door middel van communicatie met elkaar in contact komen; uitwisselen van informatie
    • Het is niet gemakkelijk om in een vreemde taal te communiceren. 
     Tijdens onze ontbijten hadden we lange gesprekken over de veranderende landschappen, reïncarnatie, geloof en hoe bomen ondergronds met elkaar communiceren.[3]
     Het ziekenhuis - waar de drie dochters van koning Willem-Alexander en koningin Máxima zijn geboren - staat al jaren op de nominatie om gesloten te worden. Zo werd in 2019 al aan het personeel gecommuniceerd dat het twee jaar later zou sluiten.[4]
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]
  1. communiceren op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron “Ziekenhuis Bronovo in Den Haag blijft toch open” (10 mei 2022), NOS
  5.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be