• be·spre·ken
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘praten over iets’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • Afgeleid van spreken met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bespreken
/bə.'spre.kə(n)/
besprak
/bə.sprɑk/
besproken
/bə.'spro.kə(n)/
klasse 4 volledig

bespreken

  1. overgankelijk een gesprek over een bepaald onderwerp voeren; overleggen
    • Zij bespraken de groeiende spanning rond Iran. 
     Na Casa de Luna trok ik met The Rat Pack weer verder en onderweg bespraken we hoe we het beste konden omgaan met de komende hittegolf van meer dan 42 °C. Om deze enorme hitte te vermijden besloten we ’s nachts te gaan lopen, night hiking.[2]
  2. overgankelijk beoordelen, recenseren
  3. overgankelijk vooruit bestellen
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]