Christus met communie en kelk
  • com·mu·nie
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘het ontvangen van de hostie’ voor het eerst aangetroffen in 1540 [1]
  • afgeleid van het Latijnse commūniō (gemeenschap) met het voorvoegsel com- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord communie communies
communiën
verkleinwoord -

de communiev [3]

  1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn in de katholieke kerk
    • Tijdens de mis heb ik de communie ontvangen. 
  2. (figuurlijk) de Eerste Heilige Communie, een mis waarbij kinderen voor de eerste keer tot de communie worden toegelaten
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]