aanwijzen

Aanwijzen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·wij·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanwijzen
wees aan
aangewezen
klasse 1 volledig

Werkwoord

aanwijzen

  1. overgankelijk door wijzen tonen
    • Kun je mij het plein even aanwijzen op de kaart? 
  2. overgankelijk tonen
  3. overgankelijk aanstellen
     Opgezet door een man die zijn vrouw had verloren en het hotel waar zij hun vakantie doorbrachten als de schuldige aanwees.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. aanwijzen op website: Etymologiebank.nl
  2. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be