• aan·ha·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhalen
haalde aan
aangehaald
zwak -d volledig

aanhalen

  1. overgankelijk middels vleierij of vriendelijkheid nader tot zich doen komen
    • 's Avonds kunnen we onze kat wel aanhalen en komt hij zelfs bij ons op de bank liggen. 
  2. overgankelijk letterlijk overnemen wat iemand anders over een onderwerp gezegd of geschreven heeft
    • Bij het aanhalen van andermans woorden in een tekst gebruiken we aanhalingstekens. 
  3. overgankelijk aanspannen, aantrekken, strakker maken
    • Vlaamse commerciële zender moet de buikriem fors aanhalen. 
  4. overgankelijk, (figuurlijk) hechter maken
    • India wil de banden met Iran aanhalen. 
  • [3] de teugels aanhalen
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]