Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwa·luw
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zwaluw zwaluwen
verkleinwoord zwaluwtje zwaluwtjes

Zelfstandig naamwoord

zwaluw v/m

  1. (vogels) trekvogel uit de familie van de Hirundinidae   die van insecten leeft
     Zwaluwen doken om mijn oren en voor me uit.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • één zwaluw maakt nog geen zomer
  • één zwaluw maakt de lente niet
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen