wetenschapper

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·ten·schap·per
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wetenschapsbeoefenaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1976 [1]
  • Afgeleid van wetenschap met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord wetenschapper wetenschappers
verkleinwoord wetenschappertje wetenschappertjes

Zelfstandig naamwoord

wetenschapper m

  1. (beroep), (wetenschap) iemand die de wetenschap beoefent
    • Er is in dat gebouw een conferentie van wetenschappers. 
     Het ritme van het lopen met soms wel 70.000 stappen per dag vormde een innerlijke kadans, waarvan sommige wetenschappers beweren dat er op deze manier een inventieve samenwerking ontstaat tussen de twee helften van je brein.[2]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen