wegzetten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weg·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wegzetten
zette weg
weggezet
zwak -t volledig

Werkwoord

wegzetten

  1. overgankelijk: ter zijde zetten
  2. overgankelijk: op zijn plaats zetten, wegbergen om te bewaren
  3. overgankelijk: iemand onterecht kwalificeren als ongeschikt of onbekwaam om hem of haar buiten spel te zetten
    • Het werd de politicus kwalijk genomen dat hij de andere kandidaat als een "brekebeen" probeerde weg te zetten. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be