weeklacht


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wee·klacht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weeklacht weeklachten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

weeklacht v/m [2]

  1. uiting van pijn en verdriet
    • Haroun is bitter, zijn leven is vernield door de moord, en door de rouw en roep om wraak van zijn moeder. Wat hem het meeste stak, vertelt hij, in een lange, lyrische weeklacht, is dat zijn broer in die beroemde roman onbenoemd blijft. [3] 
    • Het heeft mij een blijvende argwaan bezorgd jegens cultuurpessimisten, die in manifesten fel van leer trekken tegen de Lopakhins van deze wereld. Ik zou zeggen, voordat je je weeklacht aanheft: kijk in de spiegel, erken je medeplichtigheid, betreur je verdomde luiheid, je achteloze verwaarlozing van de ooit zo glanzende idealen, de fatale compromissen die je hebt gesloten om de boel te redden. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen