vulkaan

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vul·kaan
Woordherkomst en -opbouw
  • eponiem dat verwijst naar de Romeinse god Vulcanus  ; leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vuurspuwende berg’ voor het eerst aangetroffen in 1401 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vulkaan vulkanen
verkleinwoord vulkaantje vulkaantjes

Zelfstandig naamwoord

vulkaan m

  1. vuurspuwende berg
     Een aantal dagen later zag ik voor het eerst de slapende vulkaan Mount Shasta in de verte liggen.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen