voering

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voe·ring
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van voeren met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord voering voeringen
verkleinwoord voerinkje voerinkjes

Zelfstandig naamwoord

voering v

  1. de binnenbekleding van een voorwerp [1]
    • De jas was kapot, waardoor de voering eruit kwam. 
  2. het voeren (leiden) [2]
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen