precies

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·cies
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘nauwkeurig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1537 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen precies preciezer preciest
verbogen precieze preciezere precieste
partitief precies preciezers -

Bijvoeglijk naamwoord

precies

  1. heel nauwkeurig, heel juist
     Guthook is een interactieve kaart van de PCT die via gps precies aangeeft waar je je bevindt.[2]
  2. feitelijk
Synoniemen
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen