neerdalen
- neer·da·len
- samenstelling van neer bw en dalen ww
neerdalen
stamtijd | ||
---|---|---|
onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
neerdalen |
daalde neer |
neergedaald |
zwak -d | volledig |
- in een neerwaartse richting gaan totdat men landt
- Wandelaars kunnen beter niet te lang met hun regenjas aan lopen als de druppels niet of nauwelijks meer neerdalen. Met het stijgen van de temperatuur kan het lichaam wel eens te warm worden en het lopen een stuk lastiger. De kans op oververhitting van het lichaam is groter en daarmee de kans op uitvallen. [1]
- (figuurlijk) over je heen komen
- De Provençaalse schoonheid heeft je dan al te pakken, een zweetdruppeltje glijdt over je voorhoofd, je voelt De Grote Rust over je neerdalen, en dan zie je tegenover het dorpscafé de 12de-eeuwse adbij met het ommuurde park. Dát is de bestemming. [2]
- Het woord neerdalen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "neerdalen" herkend door:
95 % | van de Nederlanders; |
97 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Tubantia Joost Ariaans 20-07-2017
- ↑ de Standaard VRIJDAG 4 AUGUSTUS 2017 -
- ↑ Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be