Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·vel
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord level levels
verkleinwoord leveltje leveltjes

Zelfstandig naamwoord

level o

  1. niveau

Werkwoord

vervoeging van
levelen

level

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van levelen
    • Ik level. 
  2. gebiedende wijs van levelen
    • Level! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van levelen
    • Level je? 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
level levels

Zelfstandig naamwoord

level

  1. (palindroom) peil, niveau
  2. (gereedschap) waterpas
vervoeging
onbepaalde wijs to  level 
he/she/it  levels 
verleden tijd  [[leveled (VS)
levelled#Engels|leveled (VS)
levelled]] 
voltooid
deelwoord
 [[leveled (VS)
levelled#Engels|leveled (VS)
levelled]] 
onvoltooid
deelwoord
 [[leveling (VS)
levelling#Engels|leveling (VS)
levelling]] 
gebiedende wijs  level 

Werkwoord

level

  1. overgankelijk vlak maken, met de grond gelijkmaken