huwelijksovereenkomst

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hu·we·lijks·over·een·komst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huwelijksovereenkomst huwelijksovereenkomsten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

huwelijksovereenkomst v

  1. (juridisch) het vermogensrechtelijke contract dat huwelijkspartners bij het sluiten van een huwelijk met elkaar afspreken
     Het aantal mensen met een huwelijksovereenkomst of geregistreerd partnerschap dat jaarlijks uit elkaar gaat, varieert tussen de 30.00 en 36.000.[1]
     Ze vermoedt dat Albert een deel van zijn bezit of vermogen in een gemeenschap van goederen heeft ondergebracht. Hij kan specificeren welke eigendommen absoluut naar Paola moeten gaan. Die maken dan geen deel uit van de nalatenschap maar van de huwelijksovereenkomst.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Sanne Riepema “Koppels durven weer te (vecht)scheiden” (10-01-2017), Tubantia
  2.   Weblink bron “"Koning Albert wil erfenis veiligstellen voor Paola"” (25 februari 2015), De Morgen