herzeggen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·zeg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
herzeggen
herzegde
herzei
herzegd
onregelmatig

zwak -d

volledig

Werkwoord

herzeggen [1]

  1. herhalen, navertellen
  2. een eerder gedane uitspraak terugnemen; terugkomen op een eerder geuite mening
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen