dubbelslachtig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dub·bel·slach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dubbelslachtig dubbelslachtiger dubbelslachtigst
verbogen dubbelslachtige dubbelslachtigere dubbelslachtigste
partitief dubbelslachtigs dubbelslachtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

dubbelslachtig [1]

  1. dubbelzinnig, verwarrend
    • Want Hamlet, zo schrijft hij in een toelichting, ‘is een mens zoals wij allemaal. Inconsequent, meerlagig, dubbelslachtig, ambigu.’[2] 
    • Advocaat Hoff heeft een „dubbelslachtig gevoel” over het feit dat er is geschikt, zo vlak voordat hij naar de rechtbank zou gaan. „Je mist de professionele bevrediging van in de rechtszaal staan. De pleitnota’s zijn nog warm.”[3] 
  2. zowel mannelijk als vrouwelijk
    • Ík ben wat ze een echte hermafrodiet'noemen', legt ze uit. Als baby had ik vergroeide eierstokken en testikels. Chromosomaal, inwendig en uitwendig ben ik dubbelslachtig geboren. Alle mannelijke stukjes vlees zijn weggeknipt toen ik een baby was. Daarna moest ik me gedragen als een meisje. Dat was de tijdgeest, ik neem niemand iets kwalijk.'[4] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 04 JANUARI 2014 gvds
  3. NRC Carola Houtekamer 14 maart 2016
  4. Volkskrant Menno van Dongen 7 februari 2017