Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·so
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘optocht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1914 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord corso corso's
verkleinwoord corsootje corsootjes

Zelfstandig naamwoord

corso o [3]

  1. optocht (met praalwagens)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Italiaans

enkelvoud meervoud
corso corsi

Zelfstandig naamwoord

corso m

  1. (It.) optocht, vgl. bloemencorso.
  2. wandelplaats; hoofdstraat.
  3. (taal) Corsicaans; taal die op Corsica gesproken wordt.