bundel takjes
  • bun·del
enkelvoud meervoud
naamwoord bundel bundels
verkleinwoord bundeltje bundeltjes

de bundelm

  1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
    • De bundel takken werd met een touw bijelkaar gehouden. 
     De blik in de bruine ogen van Jeroen weerstond de bundel ijskoude vlammen die Steiner hem toezond.[3]
  2. een verzameling teksten in één drukwerk verzameld
    • Het is een van de lastigste vragen die vrienden je kunnen stellen: ‘Wat vond je de beste bundel van het afgelopen jaar?’ Na vijftig jaar poëzie lezen weet ik dat het antwoord op die vraag nooit meer kan zijn dan een momentopname.[4] 
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
vervoeging van
bundelen

bundel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bundelen
    • Ik bundel. 
  2. gebiedende wijs van bundelen
    • Bundel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bundelen
    • Bundel je? 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]