buikvin

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buik·vin
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buikvin buikvinnen
verkleinwoord buikvinnetje buikvinnetjes

Zelfstandig naamwoord

buikvin v / m

  1. (zoötomie) een vin die verbonden is met spieren en de bekkengordel en daardoor minder bewegelijk dan de borstvinnen.
    • De meeste vissen hebben twee buikvinnen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be