vissenkop

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·sen·kop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vissenkop vissenkoppen
verkleinwoord vissenkopje vissenkopjes

Zelfstandig naamwoord

vissenkop m

  1. (anatomie) de kop van een vis.
    • De vissenkop was voer voor de meeuwen. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be