beplanting
  • be·plan·ting
enkelvoud meervoud
naamwoord beplanting beplantingen
verkleinwoord

de beplantingv

  1. de planten die door de mens ergens zijn geplant of neergezet
    • Tentje Psychiater Menno Oosterhoff (61) en leerkracht Dineke Linzel (51) wonen met hun kinderen Joël (16), Paulus (15) en Lasse (11) in „een holletje” op het Groningse platteland. Toen ze het huis in ’91 kochten was het „heel keurig”, wit en licht. Het eerste jaar woonde het stel in een tentje in de tuin „om te genieten van de vijver vol kikkers”. Nadat de tuin was beplant met „de halve flora van Nederland” moest het huis gezellig worden.[2] 
    • Portret van een Tuin is gewijd aan zeventiende-eeuwse moestuin op landgoed Dordwijk in de Dordtse kern Dubbeldam. Decennialang verkeerde die in geheel verwaarloosde staat, totdat Daan van der Have zich erover ontfermde. Hij besteedde twintig jaar aan de reconstructie, grondverbetering en de nieuwe beplanting ervan. Om dat levenswerk tot in perfectie uit te voeren, ontwikkelde de nu 65-jarige horecaondernemer (mede-oprichter van Hotel New York in Rotterdam en Villa Augustus in Dordrecht) zich gedurende die periode stukje bij beetje tot een allround-tuinder.[3]  
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Astrid van Rooij 19 maart 2017
  3. NRC 1 december 2016