aantasten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·tas·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aantasten
tastte aan
aangetast
zwak -t volledig

Werkwoord

aantasten

  1. overgankelijk (langzaam) beschadigen, aangrijpen waardoor iets lelijker wordt
    • Het metaal werd langzaam aangetast door de zure neerslag. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be