• won·der·schoon
stellend
onverbogen wonderschoon
verbogen wonderschone
partitief wonderschoons

wonderschoon [3]

  1. heel erg mooi
    • „De allermooiste negerin van de hele wereld en haar blonde wonderschone vriendin verdwijnen in de bocht”, staat in Gipharts roman Ik ook van jou uit 1992. Het zinnetje in het best verkochte debuut van dat jaar was indertijd niet aanstootgevend. Vorige week besloot uitgeverij Nijgh & Van Ditmar tot een jubileumeditie. De vraag was alleen: wat te doen met het woord ‘negerin’ dat enkele malen in de roman voorkomt? [4] 
     Mijn ogen zagen dat het wonderschoon was, maar ik kon er, doordat ik nog door de storm op Mount Whitney in shock was, geen seconde van genieten.[5]
99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[6]