beeldschoon

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beeld·schoon
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen beeldschoon
verbogen beeldschone
partitief beeldschoons

Bijvoeglijk naamwoord

beeldschoon

  1. van grote schoonheid, zo prachtig dat het een afbeelding lijkt
    • Er kwam een beeldschone jongedame binnen en de aandacht van velen werd afgeleid van het droge betoog van de spreker. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen